Onkruid op de akker

Matth. 13, 24-30: Nog een gelijkenis hield Hij hun voor en Hij zei: Het Koninkrijk van de hemel komt overeen met iemand, die goed zaad gezaaid had in zijn akker. Toch terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide er onkruid overheen, midden tussen het koren, en ging weg. Toen het graan opkwam en vrucht zette, kwam ook het onkruid tevoorschijn. Daarna kwamen de slaven van de eigenaar en zeiden tot hem: Heer, hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Hoe komt hij dan aan onkruid? Toen zei Hij tot hen: Dat heeft een vijandig mens gedaan. De slaven zeiden tot hem: Wilt gij dan, dat wij het bijeenhalen? Hij zei: Neen, want bij het bijeenhalen van het onkruid zou u tevens het koren kunnen uittrekken. Laat beide samen opgroeien tot de oogst. En in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbranden, maar brengt het koren bijeen in mijn schuur.

Het ‘onkruid’ staat voor alles wat niet naar liefde is, leren dragen èn verdragen. De moeilijkheid is het onderscheid zien tussen het valse (onkruid) en het goede (het koren) die met elkaar vermengd zijn. Dit is onze oefening in nederigheid.

Deze gelijkenis* bevestigt, dat Ik mensen weliswaar door daden en woorden wilde verbeteren, maar dat het goede zaad, daar de wereld met haar genoegens zich er inmengt, slechts op sommige plaatsen gedijt, maar in het algemeen niet zulke vruchten opbrengt, als men zou kunnen verlangen. Het bevestigt u dat het einde, de oogst, het goede van het slechte zal scheiden en de goeden hun rechtvaardige loon zullen ontvangen, maar de halsstarrigen en slechten zullen de lange weg door de materie moeten doormaken, totdat zij al het onreine afgelegd hebben en zich in Mijn hemelse rijk van de geest als een geestelijke toon kunnen voegen in de daar heersende harmonie.

Toen Ik Mijn discipelen onderwees en Zelf naar uw aarde kwam, had dit geen ander doel dan aan alle geschapen wezens Mijn geestelijk rijk bekend te maken met zijn wetten en basisprincipes. Toen Ik op aarde onderwees zei Ik niets nieuws, maar altijd hetzelfde wat Ik vanaf het begin van de wereld al Mijn geesten had ingeprent, namelijk: wat hun uiteindelijke doel en hun hele streven moest zijn.

Het doorlopen van het aardse leven stemt overeen met de gelijkenissen over het zaad; want het uitgestrooide zaad zal, op verschillende bodem vallend, verschillende producten voortbrengen al naar gelang wat voor elementen het zaad daar voor zijn groei aantreft. Het vrijgeven van de menselijke natuur, dat wil zeggen de vrije wil, veroorzaakt de verschillende opvattingen over Mijn leer. De mensen, staande midden tussen beide polen van goed en kwaad, moesten natuurlijk ook verschillende reacties tonen, hoe zij Mijn leer wilden of konden opvatten.

“Heb God lief boven alles en je medemensen als je zelf.”

Mijn woord bevat de hele schepping en bevat Mijn hele leer. Dat bewijst dat Ik alleen wetten van liefde, en wel slechts twee, gegeven heb, die echter alleen dan van waarde zijn, wanneer de één de ander aanvult. Deze wetten van de liefde zijn het zaad, dat Ik materieel in Mijn hele schepping en geestelijk in de harten van alle verstandelijke wezens gezaaid heb. Het ontkiemen van dit zaad, al naar gelang de meer of minder grote invloed van de materiële wereld, is voorwaarde voor het voortschrijden naar het goede of het terugvallen in het kwade, het materiële.

Indachtig de vrijheid van alle mensen en alle geschapen geesten moest er onder het goede koren ook onkruid ontkiemen, zoals Ik het in de gelijkenissen figuurlijk zei. In dit geval zullen de mensen, die niet op de juiste weg wandelen, pas aan het einde van hun aardse loopbaan erkennen, hoe ver zij zijn afgedwaald van de eigenlijke weg naar hun heil. In de andere wereld – aan gene zijde – moet dan deze strijd, die zo velen met hun einde op deze wereld meenden te hebben beëindigd, weer opnieuw begonnen worden van binnen naar buiten onder andere omstandigheden, met weinig middelen en grote hindernissen.

Mijn woord – het zaad – is een Goddelijk woord, en daarom kan en moet het de bodem, waarop het valt, verbeteren en vergeestelijken, is het niet hier op deze aarde, dan zeker in het hiernamaals.

*Verkorte tekst uit hoofdstuk 51, Predikingen van de Heer door G. Mayerhofer.

Zie ook Jakob Lorber, Geschenken uit de hemel, deel 3, blz 345 en Psalm 46.

Door |2018-06-30T16:01:01+00:0010 mei, 2018|Categorieën: beeldspraak, Gelijkenissen|