Zijn

“Het Zijn” betreft Gods Wezen: Ik Ben. Hij is, zoals Hij was en zal zijn – Liefde.

In ons is het “Zijn” nog duister. Dat ‘Zijn’ dient in ons nog te ‘worden’. Daartoe brengt God Zich Zelf in Woord(en) in ons midden. Maar herkennen wij Hem? Moeizaam, maar het zal licht (begrip) worden en wij zullen dan de ‘dag’ (bewust-zijn van liefde) van de ‘nacht’ (bewustzijn in zelfzucht) onderscheiden.

Waar wij lezen: ‘zijn’, wordt steeds het wezen van liefde bedoeld en de woorden er om heen duiden de staat aan waarin die liefde zich bevindt. Het verband waarin het ‘zijn’ zich bevindt, geeft aan om wiens liefde het gaat, Goddelijke liefde of de eigenliefde.

Hier is de ‘Ik ben’ natuurlijk de liefde Gods die in het hart van de goddeloze is als een dode, totaal afwezig.

Dood is de staat van de mens waarin de Liefde Gods niet ‘is’. Echter, door het ontwaken van dat liefde-besef is die ‘dode’ liefde veranderd in ‘levende’ liefde. Die staat van liefde maakt het verschil tussen hels (duistere zelfzucht) en hemels (vol van liefde tot God en naaste).

Het ‘zijn’ van beneden is natuurlijk de zelfzucht, en van boven is ware onzelfzuchtige Goddelijke liefde. En die liefde is geen wereld-liefde.

‘Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven vat.’ (Psalmen 31:12)

‘En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels van de hel en de dood.’ (Openbaring 1:18)

‘En Hij zei tot hen: Gijlieden zijt van beneden, Ik ben van boven; gij zijt uit deze wereld, Ik ben niet uit deze wereld.’ (Johannes 8:23)

Door |2018-10-28T19:58:10+00:0020 oktober, 2017|Categorieën: beeldspraak, Oude Testament|