Voelen, hart en geest

Het gemoed, of het hart is waar we de innerlijke liefde bewust kunnen voelen, waar we God kunnen waarnemen. Wie zich van dat gevoel, van Zijn geest van liefde, in zichzelf bewust wordt, heeft de zekerheid van Zijn liefde en zoekt niet meer naar bewijzen.

‘Geloven is de zekerheid van het voelen. Voelen dat iets waar is, voelen dat Ik, jullie Schepper, besta. Voelen dat Ik jullie, jou liefheb. Iedereen kan dat voelen, maar er zijn veel mensen die bewijzen willen hebben van wat zij voelen dat waar is. Omdat wat gevoeld wordt niet te zien is. Zonder bewijzen is voelen voor hen geen weten. En veel mensen willen zeker weten, voor hen is er geen zeker voelen.’ (Hemelsbrood nr. 6081)

Bekeren gebeurt dus niet met het verstand, maar met het hart, het gevoel, de geest van liefde.

En de Heer, uw God, zal uw hart besnijden, en het hart van uw zaad, om de Heer, uw God, lief te hebben met uw ganse hart en met uw ganse ziel, opdat gij leeft. (Deuteronomium 30:6)

En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de Heer ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren. (Jeremiah 24:7)

In zo’n wereld is het de bedoeling dat de ziel haar nieuwe, op liefde ingestelde huishouding in haar persoonlijke, geestelijke rijk begint. Maar hoe is dat mogelijk als haar gemoed, respectievelijk haar hart, verhard en ongevoelig is, steeds dieper wegzinkt in een boosheid vol zelfbeklag, en op toorn en wraak zint, en als de geest in haar vrijwel volkomen dood, doof, stom en blind is en zodoende nooit de hersenplaatjes van de ziel kan bekijken en goed kan onderzoeken?

Jakob Lorber GJE 4, 236:7

Maar de ziel heeft nog een ander kenvermogen, dat niet in haar hoofd maar in haar hart zetelt. Dit vermogen heet innerlijk gemoed en bestaat uit een geheel eigen wil, uit de liefde en uit een met deze beide gemoedselementen overeenstemmende voorstellingskracht. Heeft deze eenmaal het begrip van het bestaan van God in zich opgenomen, dan wordt het meteen door de liefde omvat en door haar wil vastgehouden, en dat vasthouden is dan pas ‘geloven’.

Jakob Lorber, Van de hel tot de hemel 1, 35:3

Door |2018-06-30T16:01:02+00:0013 november, 2017|Categorieën: Bijbel, denken, geloven, Oude Testament|