Heel veel verhalen in de Bijbel zijn beeldspraak. De Bijbel is beeldtaal. Neem bijvoorbeeld de uitdrukking “Stof zijt gij”. Stof is niets anders dan dode materie en de mens heeft slechts een stoffelijk lichaam dat hij achter laat bij de lichamelijke dood. De mens is een geestelijk wezen, maar dit geloven heel veel mensen echter niet. Maar waarheid blijft waarheid, ook al wordt die niet geloofd.
Wanneer de mens erkent dat hij zonder Zijn Schepper, God de Vader, absoluut niets kan en helemaal niets is, dan ziet hij in dat hij slechts ‘stof’ is. Degene die dit beseft, begrijpt dat door zijn nederigheid. Want niemand is uit zichzelf iets, niemand kan zichzelf in leven houden, omdat God de Vader, het Leven is. Hij is Alles in alles is, ook in de mens.

Naar hemelsbrood 4997

Beeldspraak in de Bijbel verklaard

Daarnaast moet hij, om het leven van zijn toch al gebrekkige, zware lichaam in stand te houden, in het brandend zweet van zijn aangezicht, voor zijn voedsel zorgen. En tot op het laatste ogenblik van zijn aardse leven is hij in voortdurende onzekerheid, of er na de smartelijke dood van zijn lichaam nog een of ander leven is. En als dat al zo is, dan is dat voor hem niet zelden verschrikkelijker ingericht en minder begerenswaardig dan zelfs een eeuwige vernietiging. Bij al deze bitterheden van het leven wordt hij echter toch door een buitengewone liefde voor het leven bezield. Zodanig dat de dood hem, ondanks alle kwellingen, toch het allerergste lijkt!

Bijbel

In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren.

(Genesis 3:19)

Geestelijke overeenkomsten

En het ‘zweet des aangezichts‘ is niets anders dan het al besproken zorgenlitteken van de ziel, dat zij zichzelf door het genot van de Mozaïsche appel toegebracht heeft; iets wat zij ook heel goed had kunnen vermijden.”

Wel, dat zijn nu de ‘doornen’ en ‘distels‘, die de ‘aarde’, d.w.z. de verminderde verstandelijke vermogens van de ziel zelf in zich heeft laten opgroeien, als parasieten op de overigens gezonde takken der bomen!

De ‘vloek van God’ is niets anders dan het aan de ziel die zichzelf bedorven heeft, geschonken verhelderende inzicht dat zij zich in werkelijkheid zelf in weerwil van de orde bedorven heeft, en dat zij daarom enkel door eigen schuld verder haar brood in het zweet van haar aangezicht zal moeten zoeken.

Jakob Lorber in de Nieuwe Openbaring, GJE, 2, 225:7-9